Geen decretale grondslag voor onontvankelijkheidssanctie

Tags: VCRO, Ruimtelijke ordening

Geen decretale grondslag voor onontvankelijkheidssanctie art. 1, § 2 Beroepenbesluit

De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verklaarde een administratief beroep van derde-belanghebbenden tegen de beslissing van een college van burgemeester en schepenen waarbij deze een stedenbouwkundige vergunning verleende voor het plaatsen van twee voedersilo’s onontvankelijk. De deputatie verklaarde het beroep onontvankelijk omdat bij het verzoekschrift geen attest van aanplakking was gevoegd, zoals vereist door artikel 1, §2 Beroepenbesluit van 24 juli 2009. Hoewel de beroepers in staat werden gesteld het dossier terzake aan te vullen binnen de in het Beroepenbesluit voorziene vervaltermijn van vijftien dagen, werd dit attest pas na deze termijn bijgebracht, meer concreet op de hoorzitting georganiseerd in het kader van de beroepsprocedure.

De beroepers vechten de beslissing van de deputatie tot het onontvankelijk verklaren van hun administratief beroep aan bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Zij zijn van oordeel dat gelet op de ernst en de verregaande gevolgen ervan de onontvankelijkheidssanctie enkel in de VCRO zelf kan worden geregeld en niet in het Beroepenbesluit, dat een uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering is. Volgens de verzoekende partijen voor de RvVb is het Beroepenbesluit dan ook in strijd met hogere rechtsnormen, zodat het buiten toepassing moet worden gelaten overeenkomstig artikel 159 GW.

In zijn arrest nr. RvVb/A/1516/1076 van 10 mei 2016 oordeelt de RvVb als volgt:

Deze bepaling duidt de belanghebbenden aan die administratief beroep kunnen instellen en formuleert de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden: 1/ het beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen; 2/ het beroep moet worden ingediend per beveiligde zending; 3/ een bewijs moet worden bezorgd van de beveiligde zending van een afschrift van het beroepschrift aan desgevallend de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen en 4/ een bewijs moet worden bezorgd van de betaling van de dossiervergoeding.

Er worden in de VCRO derhalve geen andere ontvankelijkheidsvereisten voorzien.

Artikel 4.7.25 VCRO laat de Vlaamse regering toe om nadere formele en procedureregels in graad van administratief beroep bij de deputatie te bepalen, in het bijzonder wat de opbouw van het beroepschrift en de samenstelling van het beroepsdossier betreft. Met het Beroepenbesluit van 24 juli 2009 heeft de Vlaamse regering van deze delegatie gebruik gemaakt.

De mogelijkheid tot het bepalen van ‘nadere formele en procedureregelen’, impliceert echter niet dat de Vlaamse regering bijkomende ontvankelijkheidsvereisten zou kunnen opleggen wanneer hiertoe geen decretale grondslag bestaat. Noch de artikelen 4.7.21 VCRO tot en met 4.7.25 VCRO, noch enige andere bepaling biedt derhalve een decretale grondslag voor de onontvankelijkheidssanctie van artikel 1, §2 Beroepenbesluit.

Aangezien er geen rechtsgrond bestaat voor de voornoemde sanctie, dient artikel 1, §2, laatste lid Beroepenbesluit overeenkomstig artikel 159 GW buiten toepassing te worden gelaten.

Leo Kerkstoel

No Comments

Add a Comment
Designed by It-4each